ezgif.com-optimize

Een zondagochtendrit. Het is februari en het weer wordt, voor zover je in dit seizoen over redelijk kan spreken, redelijk. We spreken af op het gezamelijke meetingpoint. Als ik aankom zitten er al een paar mensen. De wapenwedloop begint direct.  Dit is het moment waar gekeken wordt wie je medestanders zijn en wat er in de loop van de dag gaat gebeuren.

Als we klaar zijn voor vertrek kijk ik naar de personen, de meeste ken ik wel. Mensen met minimaal het dubbele aantal jaren aan sportervaring. Ik kijk naar de fietsen. Fietsen met minimaal de dubbele waarde van die van mij. Er wordt gesproken over het bedwingen van geweldige alpencols en rijden in ‘het’ peloton. Met mijn minimale fietservaring buiten de landsgrenzen, laat staan hoge bergen, ken ik mijn plek en houd mij afzijdig. Dit is het moment waarop het storyboard voor mij uitgetekend is. Het moraal zakt tot in mijn teennagels.

Het is tijd om op te stappen. Off we go. Het valt mee, iedereen is lekker aan het keuvelen, we rollen een beetje door de stad en ik rijd zowaar op kop, mede omdat ik de weg ken. Sterker nog, als we in dit tempo doorrijden word ik nooit warm. Ik schakel lichter en begin te spinnen. De wind is wel voelbaar, maar dit ga ik prima volhouden.

We arriveren bij een lange rechte weg en de eerste windstoot blaast mij direct naar het midden van de groep. Niet omdat ik niet op kop wil blijven, maar in deze wind lukt het me niet om hetzelfde tempo te hanteren. In het midden van de groep kom ik tot bezinning. Ik denk over de route die we gekozen hebben en ineens realiseer ik mij dat het 50km lang van dit is: harde tegenwind. 99% Van de mensheid zou na deze conclusie al rechtsomkeer gemaakt hebben. Maar wij fietsers zijn ‘badass’. Hier word je hard van, dus ik zie de lol er wel van in.

Na deze korte oriëntatie draaien we de duinen in en een paar mensen hebben er zin in. Na een aantal minuten langs de kust beulen met volle wind tegen zijn er al een paar mensen van onze groep weggereden en twee mensen zijn er af gewapperd. Ik hang aan het laatste wiel van ons groepje. Ik kan alleen nog naar het achterwiel van mijn voorganger kijken en probeer er zo dicht mogelijk op te zitten. Nog 45 kilometer te gaan voordat we omkeren.

Er wordt zenuwachtig gereden, er is wat oneenigheid wie er op kop gaat rijden. In deze discussie meng ik mij niet, ik blijf ‘lekker’ in het laatste wiel, meer kan ik niet. Ook de vermoeidheid lijkt toe te slaan in de groep. Dit gevriemel betekent dat we met de groep af en toe met z’n allen bijna stil staan en daarna wordt er ineens flink aangezet. Er ontstaat een accordion effect waardoor ik vaker dan ik wil uit het zadel moet.

Het volgende plaatje uit het voorgeschreven storyboard dient zich aan: Er valt af een toe een gaatje. Ofwel er komt een fietslengte tussen mijn voorganger en mij. Een kort sprintje lost dit op, al is dit een krachtinspanning op het limiet van mijn kunnen. Ik sluit weer aan. Ik denk, als dit nog twee keer gebeurt ben ik weg. Mijn gedachten zijn nog amper klaar en het gebeurt weer! Tanden op elkaar én weer bij. Wanneer kan ik even rusten? Ik heb dorst en niet eens tijd om even mijn bidon te pakken!

En daar is het moment, mijn voorganger houdt zijn benen even stil en sluit achter mij aan. Wat krijgen we nou? Er ontstaat een gat waar net nog een wielrenner zat en wordt nou van mij verwacht dat ik dat dicht rij? Ik hoor wat geroggel en gesnot achter mij en hij stuift me weer voorbij. Hij sluit aan maar ik ben weg, geen motivatie meer om dat gat nog dicht te rijden.

Ineens kom ik uit het vacuüm van gestresst positie kiezen met de minste wind. Ik kijk weer vooruit en mijn tempo is gehalveerd. Ik hoor weer geluiden om mij heen en ik zie weer waar ik ben. De groep voor mij wordt al snel kleiner, ik kijk om mij heen en zit echt alleen. Vogeltjes fluiten en ik zie gebouwen die ik niet eerder gezien had terwijl ik dit traject toch al minimaal 50 keer gefietst heb. Het voelt alsof iemand een vage bubbel in mijn hersens kapot heeft geprikt en dit van het één op het andere moment verheldering geeft. Ik schakel vier tanden kleiner en vraag me af of ik om moet keren, maar nee wij fietsers zijn ‘badass’. Hier word je hard van, ik fiets door.